Three Dog Night was eind jaren 60 en begin jaren 70 een zeer succesvolle band in de VS (twaalf gouden albums en éénentwintig Top 40 hits, waaronder drie nummer 1 hits). Dat succes hebben ze in Europa bij lange na niet kunnen evenaren.
De drie zangers Danny Hutton, Chuck Negron en Cory Wells richtten de groep op in 1967 en al snel daarna zochten ze bandleden om het geheel te completeren.
De band schreef niet veel muziek zelf, maar voerde vooral het werk uit van anderen. Hierbij vallen vooral de creatieve (vocale) arrangementen en interpretaties op van de zorgvuldig geselecteerde originelen. Door deze werkwijze kent de muziek van Three Dog Night vele muzikale invloeden, maar ze staan wel altijd met één voet in de rock.
Als gevolg van het uitvoeren van covers kwamen veel mensen en passant in aanraking met het werk van onder andere Harry Nilsson (One), John Hiatt (Sure As I'm Sittin' Here), Hoyt Axton (Joy To The World) en Leo Sayer (The Show Must Go On). Dat die artiesten hierdoor ook bekendheid (en royalties) kregen was voor hen mooi meegenomen.
Naast de twee laatstgenoemde nummers had Three Dog Night in Nederland nog twee hits: Never Been To Spain (van Hoyt Axton) en Mama Told Me (Not To Come) (van Randy Newman), hun grootste NL-succes (nr. 7).
Laatstgenoemde nummer staat overigens niet op de uit 1974 stammende compilatie Joy To The World: Their Greatest Hits. Door ruimtegebrek zijn er meer omissies, zoals hun eerste hit Try A Little Tenderness (de bekendste uitvoering is waarschijnlijk van Otis Redding) en de cover van Laura Nyro's Eli's Coming. De in 2004 uitgebrachte compliatie-CD The Complete Hit Singles is daarom nu een betere keuze. Hierop staan alle 21 US Top 40 hits verzameld.
De aparte bandnaam werd overigens voorgesteld door June Fairchild (vriendin van Danny Hutton) nadat ze een artikel had gelezen over de oorspronkelijke bewoners van Australië. Hierin werd beschreven dat zij koude nachten weerstonden door in een gat in de grond te slapen terwijl ze een dingo (wilde hond) vasthielden. Op hele koude nachten sliepen ze met twee dingo's en als het hard vroor dan was het een "Three Dog Night".
Vorige week, in blog #196, schreef ik al over het genre van de "Answer Songs" en beloofde deze week te schrijven over het vervolg op It's My Party van Lesley Gore.
Normaal gesproken worden "Answer Songs" gemaakt door andere artiesten dan degenen die het origineel hebben gemaakt.
Lesley Gore's Judy's Turn To Cry is één van de weinige uitzonderingen op de regel. Het nummer is een vervolg op het verhaal uit haar eigen hitsingle It's My Party. De hoofdpersoon heeft haar verdriet en boosheid omgezet in daden en heeft een andere jongen gekust voor de ogen van Johnny. Met een vilein genoegen constateert ze vervolgens dat Johnny die jongen te lijf gaat en weer bij haar terug komt. En dan is het Judy's Turn To Cry.
Tegenwoordig komen "Answer Songs" ook nog wel eens voor. Hedendaagse voorbeelden zijn Lady Gaga's Boys, Boys Boys (als reactie op Girls, Girls, Girls van Mötley Crüe) en California Gurls van Katy Perry feat. Snoop Dog (als reactie op Empire State Of Mind van Jay Z feat. Alicia Keys). Opvallend is dat van het laatste voorbeeld beide tracks een nummer 1 hit werden in de Verenigde Staten.
Een heel apart genre in hitparadeland zijn de zogenaamde "Answer Songs". Dat zijn liedjes die een antwoord of reactie geven op een bestaand nummer (vaak een grote hit).
Er zijn al voorbeelden bekend uit de eerste helft van de twintigste eeuw, maar het nam pas echt een vlucht in de jaren 50 en 60.
Een bekend voorbeeld uit 1955 is Mannish Boy van Muddy Waters dat een reactie was op I'm A Man van Bo Diddley (dat overigens zelf weer een reactie was op Muddy Waters' I'm Your Hoochie Coochie Man).
Andere voorbeelden zijn Yes I'm Lonesome Tonight van Dodie Stevens (als antwoord op Elvis Presley's Are You Lonesome Tonight) en When A Woman Loves A Man van Ketty Lester (als reactie op Percy Sledge's When A Man Loves A Woman).
Een apart voorbeeld van een "Answer Song" kwam van Lesley Gore. In april 1963 scoorde zij op 16-jarige leeftijd een grote hit met It's My Party. Het is een ultiem popnummer met sterke vocalen en koortjes, een goede instrumentatie en een rijke productie met veel details (het was de eerste productie van Quincy Jones!). Het nummer vertelt het verhaal van een meisje dat op haar verjaardag moet toezien dat haar vriendje Johnny er vandoor gaat met een ander meisje, Judy.
It's My Party werd een nummer 1 hit in de Verenigde Staten en ook in andere landen sloeg het gigantisch aan. Door het grote succes werd er voor Lesley Gore een vervolg geschreven in de vorm van een "Answer Song". Maar daarover volgende week meer...
Demo-opnamen die worden uitgebracht als bonustracks of als zelfstandige albums zijn lang niet altijd interessant. Dat kan echter niet gezegd worden van het nieuwe album The Tel★Star Sessions van Gov't Mule.
Zanger/gitarist Warren Haynes en bassist Allen Woody speelden beide bij The Allman Brothers Band. Op een moment dat de band niet aan het opnemen of toeren was besloten ze in 1994 het project Gov't Mule te starten. Samen met drummer Matt Abts doken ze al snel de Tel-Star Studios in om hun debuutalbum op te nemen.
Deze opnamen werden echter niet uitgebracht. Ze werkten verder en brachten uiteindelijk in 1995 het album Gov't Mule uit. Toch hebben een flink aantal nummers van de sessies uit 1994 het debuutalbum gehaald. Rocking Horse, Monkey Hill, Mr. Big, Mother Earth, Left Coast Groovies en World Of Difference zouden allemaal in een nieuw opgenomen versie op het debuutalbum belanden. Blind Man In The Dark kwam uiteindelijk op terecht op Dose, hun tweede studio-album uit 1998.
Gov't Mule groeide al snel uit van een éénmalig project tot een volwaardige band en in 1997 stapten Haynes en Woody uit The Allman Brothers Band om zich volledig op Gov't Mule te concentreren. En met groot succes, want Gov't Mule is tegenwoordig een grote naam in de bluesrock.
Natuurlijk is de geluidskwaliteit van deze demo's niet hetzelfde als die van de latere studio- en live-opnamen van de band. Luister bijvoorbeeld naar het verschil met de albumopname van Blind Man In The Dark of een live opname (nog beter, want Gov't Mule is een echte live-band).
Maar wat de demo's aan sonische kwaliteit missen maken ze meer dan goed aan ongepolijste, rauwe intensiteit. Je kunt goed horen dat dit ervaren musici zijn, op zoek naar een eigen geluid en richting. En in sommige tracks hoor je dat ze er al heel dichtbij zijn.
Naast de reeds genoemde nummers staan ook nog The Same Thing (Willie Dixon cover) en Just Got Paid (ZZ Top cover) op het album, met als bonustrack een alternatieve versie van World Of Difference.
Naast een document van historische waarde is The Tel★Star Sessions ook een tussendoortje in afwachting van het nieuwe album. Maar wat een verdomd lekker tussendoortje is het!
Herinner je je de hitsingle "OK Chicago" nog uit 1974? Pierre Bachelet was een Franse singer/songwriter die in zijn beginjaren vooral bekend werd door soundtracks te maken voor de films Emmanuele en Histoire d'O. Midden jaren 70 vormde hij kort een duo met de eveneens Franse Mat Camison onder de naam Resonance.
Hun eerste uitgave was de single OK Chicago. De gangsterverwijzingen in titel en hoes komen ook terug in het nummer. Scheurende auto's, sirenes en mitrailleurvuur vormen de achtergrond voor een uptempo nummer waarin pop, funk en disco op een aparte manier worden gecombineerd. Synthesizers en blazers zetten opvallende accenten.
Het nummer sloeg in vele landen aan en ook in Nederland was het een grote hit: 10 weken in de Top 40 waarvan drie weken op nummer 3. Alleen The Rubettes (Sugar Baby Love), Earth And Fire (Love Of Life) en Paper Lace (The Night Chicago Died - met een vergelijkbaar thema!) konden Resonance van een nog hogere klassering afhouden.
Opvallend aan de single was de sterke b-kant. Waar de flipzijde in die tijd vaak een inferieur nummer of een instrumentale versie was, kwam Resonance met Yellow Train. Aan het begin raast er een trein van rechts naar links door je boxen en de cadans van de rijdende trein krijgt dan langzaam bijval van de drummer. De rest van het nummer bestaat eigenlijk alleen uit treingerelateerde geluiden waarover de drummer soleert en gek genoeg dat werkt fantastisch. Een nummer dat je steeds opnieuw kunt beluisteren en niet verveelt.
Er volgde hetzelfde jaar nog een tweede single, Moto Rock / Safari Love, maar deze kan niet tippen aan de eerste. Misschien staan daarom alleen de nummers van de eerste single op het dubbelalbum The Time Machine uit 1976. Van dit album komt nog de single Boxing Joe / Go! Go! Go! en die nummers zijn, net als de rest van het album, leuk maar niet spectaculair.
Na dit album was het over voor Resonance, maar ze zullen altijd worden herinnerd door OK Chicago, hun gave bijdrage aan de popmuziek.
In 2000 bracht Вадим Угрюмов (Vadim Ougrioumov) onder zijn pseudoniem Motor een CD in eigen beheer uit. Veel kwam de koper echter niet te weten over het album Hexen en de maker. De spartaanse uitvoering bestond namelijk uit een blanco doosje, een blanco CD en twee kleine stickers met alleen de naam en de titel.
De uitvoering intrigeerde en daarom heb ik destijds de CD uit de bak heb gevist zonder er verder iets van te weten. Eénmaal thuis de CD in de speler gestopt bleek het gaan om minimal techno met house-invloeden (ook wel tech house genoemd) van een geweldig niveau.
Buiten een kleine kring is Motor niet erg bekend geworden, maar gelukkig staan er op YouTube toch een paar nummers van dit album. Luister naar Track 2 en Track 14 (de nummers hebben geen titels) en geniet van de energie en inventiviteit die Motor aan de dag legt.
Als je nog meer van hem wilt horen kun je ook nog luisteren naar de prachtige tracks 4 & 5 van één van de vier platen die hij maakte voor het onvolprezen Audio.nl label dat tussen 1998 en 2007 een flink aantal juweeltjes in deze (en aanverwante) genres uitbracht. Ze brachten ook het album Hexen in deze serie opnieuw uit in 2001.
Veel van de discografie van Motor is gratis te downloaden via het internet-archief Archive.org waarnaar hij via zijn eigen website verwijst. Je kunt hier onderstaande albums vinden:
2000 - First Snake
2004 - Horse Mixes
2004 - Dragon
2005 - Shor
2006 - Zima (CD-R + Motor)
2006 - Mammoth
2006 - Mammoth Part 2
2007 - Originals & Edits
2007 - Abstrakt Machine
2010 - Tiger Tunes
2014 - John Lee Hooker Remixes (with Raido + Motor)
In blogs #96 en #102 besteede ik al eerder aandacht aan de in 2012 overleden Pete Namlook. Deze productieve Duitser (echte naam: Peter Kuhlmann) maakte heel veel (ambient en
elektronische)
muziek, zowel solo als vaak in samenwerkingen. Dat hij een eigen label (genaamd Fax +49-69/450464) bestierde, maakte het makkelijker om zoveel albums uit te brengen, al waren de oplagen wel altijd beperkt.
Een van de projecten heet Silence en bestaat uit vijf albums. De eerste twee albums maakte hij samen met Dr. Atmo en deze sterk atmosferische platen zijn absolute toppers in het ambient genre.
Opener Omid (Hope) van het album Silence is een zeer traag verglijdend, twintig minuten durend werk waarin af en toe ritmische elementen en gesproken tekst opduiken. Na dit intrigerende begin volgen nog drie lange tracks waarvan de laatste (Trip) wat meer ritmische elementen kent.
Silence II kent een soortgelijke opbouw. Opener Life/Dead is weer een lange, trage track met spaarzame ritmische accenten en gesproken tekst. Daarna volgt Heaven, een track met engelachtige vocalen en een aparte sfeer. Het is de korte versie van de veel langere originele track. Hierna volgen nog drie tracks waarvan Faith het meeste opvalt door de oosterse sfeer.
De muziek op deze twee Silence-albums kan prima helpen om ontspannen weg te dromen of dienen als soundtrack als je bijvoorbeeld gaat lezen of puzzelen. Klik het YouTube bestand aan en geniet van 2½ uur topklasse ambient.
Naast een gezamenlijke heruitgave van de eerste twee Silence-albums in 1994 is er ook nog een officiële MP3-CD met alle albums uit de serie verschenen, maar ook deze was gelimiteerd (tot 500 stuks). Mocht je geïnteresseerd zijn geraakt dan ben je aangewezen op de tweedehandsmarkt (bijvoorbeeld via Discogs) of iTunes waar de muziek van Pete Namlook gelukkig nog steeds verkrijgbaar is.
Voor veel fans begint het verhaal van Deep Purple in 1970 met het album In Rock. Vóór dit album maakte ze echter al vier albums, waaronder het inmiddels fameuze huwelijk tussen klassiek en rock, Concerto For Group And Orchestra.
Deep Purple heeft vele bezettingswisselingen gehad en om het overzicht te behouden worden de bezettingen aangeduid als Mark I, Mark II etc. (vaak afgekort als MkII). Van de bekende MkII-bezetting - Jon Lord (toetsen), Ian Paice (drums), Ritchie Blackmore (gitaar), Roger Glover (bas) en Ian Gillan (zang) - behoorden de laatste twee nog niet tot MkI. Hun plaatsen werden toen bezet door Nick Simper (bas) en Rod Evans (zang).
MkI maakte drie studioalbums die niets deden in thuisland UK, maar opvallend genoeg in de U.S. wel redelijk succesvol waren. Hush van het eerste album kwam zelfs in de hitlijst en ze speelden met Cream, deden jam sessies met Jimi Hendrix en traden op voor TV.
Op de eerste twee albums staat een aparte mix van rock (die hint naar de toekomst) en pop (waaronder covers) wat werd afgedwongen door de U.S. platenmaatschappij op zoek naar hits. Op het derde album, dat simpelweg Deep Purple heet, staat nog maar één cover (Lalena, dat gelukkig mijlenver afstaat van het origineel van Donovan) en is de muziek voornamelijk een intrigerende mix van heavy en progressieve rock. De andere nummers zijn allemaal originelen en de ene is nog sterker dan de andere.
Neem bijvoorbeeld het openingsnummer Chasing Shadows. Er klinkt één akkoord van toetsenist Jon Lord voordat het Afrikaans-geïnspireerde drumwerk van Ian Paice losbarst en na enige tijd de rest van band invalt. Hoog tempo, mooie breaks, prima zang - al met al een goede opener van het album.
Na Blind (een popsong, maar puntiger dan op de eerste twee albums) en het eerder genoemde Lalena sluit kant 1 af met Fault Line/The Painter. Het is een combinatie van een avontuurlijke instrumentale track (met allerlei effecten) die naadloos overgaat in een progressive rock juweeltje.
De eerste twee nummers van kant 2 (Why Didn't Rosemary en Bird Has Flown) trekken de progressieve rock-lijn op indrukwekkende wijze door. De afsluiter van het album is een voorbode van het al eerder genoemde Concerto For Group And Orchestra. Ook hier in April horen we een samensmelting c.q. afwisseling van klassieke en rock-elementen in een twaalf minuten durend epos.
Het is de start van een ontwikkeling die toetsenist Jon Lord zou doormaken en die uiteindelijk zou leiden tot vele symphonische werken van Jon Lord, zowel met Deep Purple als solo.
Het album Deep Purple was geruime tijd niet verkrijgbaar en daarna alleen in een inferieure kwaliteit. In 2000 verscheen gelukkig een mooie remaster met bonus tracks, maar de heilige graal is de in 2014 verschenen 5CD-box Hard Road met daarin de eerste drie albums, aangevuld met de (behoorlijke afwijkende) mono-versies van de eerste twee albums.

In blogs #53 en #103 heb ik al eens de Zwitserse band Yello behandeld. Deze keer wil ik teruggaan naar het prille begin van de band in 1979/80.
Het eerste wat Boris Blank, Carlos Perón en Dieter Meier onder de naam Yello uitbrachten was de 12" single I.T. Splash (met b-kant Gluehead) op het zeer kleine Zwitserse label Periphery Perfume. Deze tracks laten een embryonale vorm van Yello horen en zijn eigenlijk niet meer dan demo's.
Hierna vertrokken ze naar de Verenigde Staten om daar te proberen een platencontract te scoren. Dat lukte uiteindelijk bij Ralph Records, het label van The Residents.
De eerste uitgave op dat label is een single. Op de a-kant staat Bimbo en op de b-kant van de 7" staat het eerdergenoemde I.T. Splash. Op de 12" staat echter een ander nummer op de b-kant: Smile On You. De a- en b-kanten van de 12" laten composities horen die in de richting komen van het Yello dat later zo bekend zou worden. Alleen de productie blijft hier nog achter. De nummers klinken wat dof en de instrumentatie en arrangementen zijn nog lang niet zo inventief.
Dat kun je duidelijk horen als je de versies van de 12" (ook wel bekend als de "rough mixes") vergelijkt met de versies die op hun albums staan. De versie van Bimbo op hun eerste album klinkt frisser, puntiger en de verlaging van het tempo komt het nummer ten goede.
Voor een nieuwe versie van Smile On You moesten we wachten tot het derde album van Yello, maar het was het wachten waard. Er zijn ineens heel veel details in de muziek te ontdekken en het is een sprankelend geheel geworden. Alsof er een deken van de boxen is afgetrokken.
Na twee albums op Ralph Records zou doorbreken met You Gotta Say Yes To Another Excess (zie #53) en de rest is geschiedenis.
© 2016 TTZL
Officiële website: Yello
Wikipedia EN: Yello
Wikipedia DE: Yello
Wikipedia NL: Yello
YouTube: I.T. Splash [12"]
YouTube: Gluehead [12"]
YouTube: Bimbo [12" version a.k.a. "rough mix"]
YouTube: Smile On You [12" version a.k.a. "rough mix"]
YouTube: Bimbo [album version]
YouTube: Smile On You [album version]