Af en toe verdwaald er een nummer en komt het pardoes in de Nederlandse Top 40 terecht. Daarvoor en ook daarna wordt er dan van de betreffende artiest weinig meer vernomen, althans in Nederland.
De Amerikaanse band Sugarloaf in 1974 is daarvan een mooi voorbeeld. Zanger/toetsenist Jerry Corbetta en gitarist Bob Webber speelden al samen in diverse bands voor ze in 1970 samen Sugarloaf begonnen. De band zou met tussenpozen bestaan tot en met 2012, maar had in die tijd slechts twaalf actieve jaren.
Hun titelloze debuutalbum leverde direct een top 10 op in de VS: Green-Eyed Lady. De singles Tongue In Cheek en Mother's Nature Wine van hun tweede album Spaceship Earth konden dit succes niet herhalen en bleven halverwege of lager in de Billboard Hot 100 steken. Na dit album werd hun platenmaatschappij overgenomen en werden bijna alle artiesten ontslagen en de groep viel uit elkaar.
Corbetta begon aan een solo-album te werken voor een kleine maatschappij, maar toen de groep werd heropgericht transformeerde het tot het derde groepsalbum I Got A Song onder de naam Sugarloaf/Jerry Corbetta. Vlak daarna ging deze maatschappij echter failliet en zat de band weer zonder contract.
De band kocht de rechten van het derde album uit de boedel en nam een nieuw nummer op: Don't Call Us, We'll Call You. Vlak hiervoor was de band door CBS Records afgewezen voor een nieuw contract en het nummer is tekstueel een reactie daarop. Er zitten ook practical jokes in het nummer. Zo vormen de geluiden van de toetsen van de telefoon in het nummer een echt (en ongeregistreerd) telefoonnummer van CBS Records in New York (daarom zingen ze ook 'area code 212'). Ook er is de imitatie van het kenmerkende stemgeluid van diskjockey Wolfman Jack (die later nog met ze zou optreden).
Het nummer wordt een top 10 hit in de VS en slaat ook overzees aan. In Nederland komt het tot nummer 11. Het aanstekelijke nummer profiteert in hoge mate van de melodie uit I Feel Fine van The Beatles en daar verwijzen ze ook naar in de tekst ('sounds like John, Paul, and George'). Ook de geleende riff uit Superstition van Stevie Wonder draagt bij aan de herkenbaarheid. Texas Two-Lane (de b-kant van de single) is een leuke track, maar lang niet zo sterk als de a-kant.
Op basis van het succes brengt de band het derde album opnieuw uit waarbij een nummer wordt vervangen door de nieuwe hitsingle. Het succes kon echter opnieuw niet gecontinueerd worden en de band viel weer uit elkaar. Incidenteel kwam tot 2012 nog bij elkaar om op te treden, maar Sugarloaf zal toch vooral herinnerd worden als de band van twee hits (in de VS) of dat ene verdwaalde nummer in de Top 40 (in Nederland).
© 2019 TTZL
Na het succes van het debuutalbum van de Nina Hagen Band (zie blog #105) zou je verwachten dat de band enthousiast aan een opvolger zou gaan werken. Problemen tussen Nina en de bandleden zorgden er echter voor dat het contractueel verplichte album er wel kwam, maar de samenwerking verliep nogal stroef. De bandleden schreven en speelden de muziek in, gescheiden van Nina, die alle teksten en vocalen voor haar rekening nam. De titel van het album, Unbehagen, doet ook geen moeite om de situatie te verbloemen.
Gezien deze ontstaansgeschiedenis is het niet vreemd dat het album minder goed is dan het debuut. Ook staan er een aantal nummers op die in een normale situatie het waarschijnlijk niet verder gebracht zouden hebben dan als b-kantje van een single. Ik denk hierbij aan de live-opname Wenn Ich Ein Junge Wär (een cover van een nummer uit 1963 van Rita Pavone), het 'campy' nummer Wau Wau en de instrumentale, korte afsluiter No Way.
Daartegenover staan gelukkig ook een heel aantal sterke nummers. Nummers die overigens al waren geschreven tijdens de tour voor het eerste album.
Opener African Reggae is een nummer met een lekker loom ritme, mooie instrumentele passages en een vocaal excellerende, alle kanten op schietende Nina Hagen. Voor de kortere singleversie is een clip gemaakt waarin het uiteenvallen van de band duidelijk is, want de bandleden komen er niet in voor.
Direct daarop volgt Alptraum (Duits voor nachtmerrie) waarin Nina als personificatie van de nachtmerrie de persoon toespreekt die de nachtmerries ondergaat. Bas en drums spelen een prachtig pulserende beat en samen met de metalig klinkende gitaren en Nina's apocalyptische vocalen maakt dit een topnummer.
Na Wir Leben Immer... Noch, een geinige Duitstalige cover van Lene Lovich's Lucky Number, volgen nog twee goede nummers. Herrmann Hieß Er gaat natuurlijk over Herman Brood en wordt gekenmerkt door sterk gitaarwerk en een opmerkelijke passage waarin een (niet zo goed gaande) LSD-trip lijkt te worden beschreven. Het volgende nummer Auf'm Rummel begint met heel toepasselijk met kermisgeluiden waarin we op de achtergrond het nummer Rangehn van het debuutalbum herkennen. Tekstueel beschrijft het kermisbezoek in haar jeugd in Oost-Duitsland waar de zin "hier is absolut nix los" de situatie aardig weer lijkt te geven.
Fall In Love Mit Mir tenslotte, is een anomalie in het oeuvre van La Hagen. Het is namelijk een nogal rechttoe-rechtaan liefdesliedje. Een leuk nummer, maar de niet zo sterk als de hiervoor beschreven tracks. Het doet echter niets af aan het feit dat Unbehagen genoeg sterke momenten kent om het album zo nu en dan weer eens te beluisteren.
In 1930 zingt Marlene Dietrich in de film Der blaue Engel het lied Ich bin von Kopf bis Fuß auf Liebe eingestellt (van Friedrich Hollaender) en zij wordt er op slag wereldberoemd mee.
Meer dan zestig jaar later pikken vier Nederlandse producers (Eric van Tijn, Jochem Fluitsma, Ed Smidt en Ad de Feijter) het nummer op en onder de éénmalig gebruikte projectnaam MCMXCII maken ze in 1992 het nummer Ich Bin Von Kopf Bis Fuss Auf Liebe Eingestellt, Ich Bin So Schön.
Het nummer is voor mij een heerlijke guilty pleasure. Natuurlijk, het is zo fout als wat, maar het klinkt tegelijk ook onweerstaanbaar lekker. Mijn favoriete versie is toch wel de Radio Edit met het stuwende ritme en de heerlijk overdreven gezongen tekst. Muzikaal gezien komen alle dance-clichés voorbij, maar doordat het bewust gebeurt wordt het juist leuk.
In de Club Mix ligt het tempo aan het begin veel lager en ook later houdt het een relaxte sfeer. De EQ-Lazer Mix en de Dee-Organ-Lite Mix zijn dan weer veel energieker en geven weer een andere blik op dezelfde track. Meestal houd ik niet zo van al die verschillende mixen, maar deze verschillen genoeg van elkaar om het interessant te houden.
Op internet is verbazingwekkend weinig te vinden over dit project/nummer (op de website van de Top 40 is er bijvoorbeeld niets over te vinden, dus ik denk dat het geen hit geworden is). Over de aanleiding of achtergrond van dit nummer weet ik ook nu nog niets, maar misschien hoort dat ook wel bij zo'n curiosum.
Als de kwaliteit van je zangstem bepalend zou zijn voor je succes, dan had zanger en toetsenist Paul Carrack net zo beroemd moeten zijn als Frank Sinatra, Marvin Gaye en Roy Orbison. Helaas is dat niet het geval voor Carrack.
Dat zal mede komen doordat hij weliswaar in succesvolle groepen als Ace, Squeeze en Mike + The Mechanics zat en als sessie- en concertmusicus werkte voor onder andere Elton John, Eric Clapton, Ringo Starr en B.B. King, maar nooit als solo-artiest is doorgebroken.
Het gevolg van zo'n carrière is dat veel van de door hem geweldig gezongen nummers verspreid staan over allerlei albums van groepen en artiesten. Gelukkig is iemand op het lumineuze idee gekomen om al die nummers te verzamelen op de 3CD-uitgave Collected.
De collectie start met de hit van Ace uit 1974, How Long. Nog steeds een geweldig nummer, maar als je luistert naar de live-uitvoeringen uit 2010 en 2014 (met Eric Clapton) hoor je dat Carrack's stem er met de jaren alleen maar beter op lijkt te worden. Na drie jaar bij Roxy Music maakt hij kort deel uit van Squeeze waarvoor hij onder andere het tijdloze Tempted zingt.
Hij gaat daarna deel uitmaken van de Mike + The Mechanics. Dit collectief met onder meer Mike Rutherford (ex-Genesis) bestaat sinds 1985 en is nog steeds bij tijd en wijlen actief. Carrack zong bij deze groep onder andere The Living Years, Over My Shoulder, Silent Running en Whenever I Stop.
Er staan ook wat tracks op Collected waar hij samen- of meewerkt met andere artiesten, zoals Don't Dream It's Over (met Paul Young), Burning Love (met Snowy White) en Your Own Special Way (met Steve Hackett). Zelfs als hij alleen de achtergrondvocalen doet is hij herkenbaar als wat.
Maar er zijn natuurlijk ook veel nummers van zijn solo-albums aanwezig en die doen bepaald niet onder voor de hierboven vermelde tracks. Waarschijnlijk ken je zelfs een aantal nummers zonder dat je weet dat ze van Paul Carrack zijn. Luister maar eens naar Don't Shed A Tear, When You Walk In The Room, Dedicated en mijn persoonlijke favoriet I Need You.
Collected is een met zorg en aandacht samengesteld album en tijdloos eerbetoon aan "The Man With The Golden Voice".
Na een succesvolle periode met The White Stripes gaat het met de solocarrière van Jack White ook voor de wind. En ook zijn andere projecten als The Raconteurs en The Dead Weather kunnen op bijval rekenen.
Na twee soloalbums* was er in 2016 was er ineens het dubbele tussendoortje Acoustic Recordings 1998-2016 waarop hij zowel materiaal van bovengenoemde groepen als van zijn eerste twee solo-albums heeft verzameld.
* Blunderbuss en Lazaretto, zie blog #84
De compilatie is chronologisch van opzet en begint daarom met nummers van The White Stripes zoals Sugar Never Tasted So Good, Hotel Yorba en You've Got Her In Your Pocket. Maar er staan ook non-album tracks op zoals het solo-nummer Never Far Away voor de soundtrack van Cold Mountain en een akoestische mix van Love Is The Truth, een nummer voor een Australische Coca Cola reclame.
Via onder andere een 'acoustic mix' van Carolina Drama van The Raconteurs komen we bij de solo-albums van Jack White. Ook hier niet alleen albumversies van de tracks, maar ook 'alternate' mixes. Wij krijgen ook de gehele akoestische versie van Just One Drink waarvan op de Lazaretto Ultra-LP alleen de intro te horen was voordat de elektrische versie van het nummer verder gaat (lees blog #84 voor de daar gebruikte dubbele groef techniek).
Normaal gesproken ben ik niet zo'n liefhebber van verzamelalbums, maar van deze thematische compilatie, met een flink aantal afwijkende versies van nummers, wordt ik wel blij.
Tim Smith startte de Engelse band Cardiac Arrest in 1975 en na één single en één album wijzigde de bandnaam in 1981 in Cardiacs. De band combineerde de energie van de punk met progressieve rock en invloeden uit ska, mediaeval music, folk music, heavy metal en hymns. In een artikel in een muziekblad stond eens dat één Cardiacs-nummer meer ideeën bevatte dan de gehele carrière van veel andere muzikanten.
De Cardiacs zijn echter nooit naar het grote publiek doorgebroken en in 2008 sloeg het noodlot toe. Alsof de duivel speelde met de bandnaam kreeg Tim Smith in juni van dat jaar een hartaanval gecomineert met een beroerte. Deze leidden tot schade aan zijn hersenen (door zuurstoftekort) en ook ontwikkelde hij de zeldzame neurologische aandoening dystonie (die zich kenmerkt door motorische stoornissen). Sindsdien wordt Tim Smith behandeld aan de gevolgen hiervan.
In 2010 werd duidelijk dat er veel geld nodig was voor zijn voortdurende zorg. Bevriende musici namen daarom muziek van de Cardiacs en andere projecten van Tim Smith op en brachten het album Leader Of The Starry Skies uit, waarvan alle opbrengsten naar hem gingen.
Twee van die nummers werden ook op een single uitgebracht en omdat Steven Wilson een van de vertolkers is werd ik op geattendeerd. Het Cardiacs-nummer Stoneage Dinosaurs is al een mooie, kalme ballad van zichzelf, maar het verstilde pareltje dat Wilson op de A-kant maakt van Stoneage Dinosaurs is geweldig. Op de B-kant gebeurt het tegenovergestelde. Fear van Spratleys Japs is een heel rustig nummer, maar Fear door Oceansize is veel heftiger dan het origineel (maar niet minder goed).
Luisterend naar deze twee nummers moet ik misschien toch nog maar eens het Leader Of The Skies-album op de kop tikken...
Cabaret Voltaire is één van de invloedrijkste groepen uit de vroege electronic en industrial music, maar hun faam is toch wat achtergebleven bij notoire tijdgenoten als Throbbing Gristle en Suicide.
Net als bij andere bands van deze beweging lag bij Cabaret Voltaire de focus niet alleen op muziek, maar zeker ook op visuele elementen in hun vroege periode. In de late jaren zeventig waren hun optredens eerder performance art dan reguliere concerten. Ze hebben zich ook niet voor niets vernoemd naar een nachtclub uit Zürich die belangrijk was in het ontstaan van de Dada beweging.
De muziek was in het begin dan ook behoorlijk experimenteel, zoals te horen is in bijvoorbeeld Kirlian Photograph (1979) en News From Nowhere (1980).
Vanaf 1981 wordt de muziek geleidelijk aan wat dansbaarder. Cabaret Voltaire begint elementen toe te voegen uit industrial dance en funk, zoals te horen is in Spreading The Virus uit 1981. De echte doorbraak komt als deze trend wordt doorgezet en nummers als Crackdown (1983) en vooral de singles James Brown en Sensoria (1984) de aandacht beginnen te trekken.
Cabaret Voltaire komt bij mij pas echt in beeld met het daaropvolgende album The Covenant, The Sword And The Arm Of The Lord uit 1985. Ongetwijfeld attent gemaakt door (toen nog Muziekkrant) OOR middels een recensie of artikel heb ik het album aangeschaft en vervolgens grijs gedraaid. De aparte titel is trouwens een verwijzing naar de gelijknamige ultra-rechtse, christelijke, terroristische Amerikaanse beweging die kort daarvoor was ontmanteld door de Amerikaanse overheid.
Het album opent met L21ST en dat nummer trekt je meteen naar binnen: een intrigerend intro, een heerlijk pulserende beat en spannende geluiden. Maar daar blijft het niet bij. Het tweede nummer, I Want You, heeft zowaar een meezingbaar refrein en na het heftige Hells Home is het met een springerig ritme en creatief synthesizergebruik gezegende Kickback het eerste hoogtepunt van het album.
Na het rustige The Arm Of The Lord, dat teruggrijpt naar vroeger tijden, ligt Warm in het verlengde van het eerder genoemde Kickback. Golden Halos en Motion Rotation houden moeiteloos de aandacht vast voordat het duistere Whip Below en het met prachtige synthesizerlijnen opgesierde The Web het album afsluiten. Ook bijna 35 jaar later is het een album dat ik nog graag draai.
Op de CD-versie uit 1985 zijn twee bonustracks (Sleepwalking en Big Funk) toegevoegd van de EP Drinking Gasoline uit hetzelfde jaar. Die tracks zijn zo goed dat je zou willen dat ze ook de andere twee tracks van de EP ook hadden toegevoegd.
Eind 1968 kwamen er berichten naar buiten dat het over was voor de supergroep Cream, die Ginger Baker vormde met Jack Bruce en Eric Clapton. Al snel daarna stortte Baker zich op nieuwe projecten als Blind Faith en Ginger Baker's Air Force.
Deze avonturen duurden allebei niet lang en eind 1971 vertrok Baker naar Nigeria om in Lagos een opnamestudio op te zetten. Hij ging de reis over land maken en nodigde documentairemaker Tony Palmer uit om zijn reis te filmen. Dit resulteerde in Ginger Baker In Africa. Ook ontmoette hij de Nigeriaanse muzieklegende Fela Kuti en werkte mee aan de Fela-albums Why Black Man Dey Suffer......., Live! en He Miss Road.
Terug in Londen ontmoette Baker in 1974 de gebroeders Paul (bas) en Adrian Gurvitz (gitaar) die daarvoor in Gun (die een hit hadden in 1968 met Race With The Devil) en Three Man Army hadden gezeten. Samen richtten ze Baker Gurvitz Army op en maakten in 1974 het debuutalbum The Baker Gurvitz Army.
Het is in principe een hard rock album maar kent ook invloeden uit de prog rock en de blues rock. En het drummen van Ginger Baker brengt ook jazz rock en Afrikaanse invloeden met zich mee. Geheel onterecht is het album geen groot succes geworden en is het nu in de vergetelheid geraakt. Nummers als Help Me, Memory Lane (met lekkere drumsolo), het instrumentale 4 Phil en vooral Mad Jack tonen dit aan.
Voor het tweede album werden Stephen W. Parsons (a.k.a. Mr Snips - zang) en Peter Lemer (toetsen) bij de band gehaald. Op Elysian Encounter (1975) resulteerde dit in een nog beter uitgebalanceerd geluid in nummers als People, The Key en Remember. Het derde album Hearts On Fire (1976) is wellicht niet zo sterk als de eerste twee, maar kent ook genietbare nummers als Hearts On Fire, Neon Lights en Flying In And Out Of Stardom. Helaas is er blijkbaar ook sprake van richtingenstrijd geweest getuige de funk- en disco-invoeden in het niet al te sterke Dancing The Night Away.
De albums van Baker Gurvitz Army waren lange tijd lastig verkrijgbaar, maar dat is met de heruitgave door Cherry Red Records gelukkig voorbij. Zowel apart als alle drie samen in een fraaie boxset, getiteld Since Beginning: The Albums 1974-1976.
Ginger Baker is op zijn zachtst gezegd een moeilijk persoon om mee samen te werken en dat zie je ook terug in de live-opnamen die op YouTube te bekijken zijn: Beat Workshop 1975 en Musikladen. Nog beter wordt het duidelijk in de goede en vermakelijke documentaire Beware Of Mr. Baker die het bekijken meer dan waard is (en een 7,7 scoort op IMDb).
Mike Stock, Matt Aitken en Pete Waterman (ook wel bekend as SAW) waren in met name de jaren 80 een beroemd producerstrio. Ze maakten met diverse artiesten dansmuziek waar invloeden in verwerkt waren uit onder andere eurodisco, dance-pop en italo disco en werd wel eurobeat genoemd.
Hun productiewerk was een aantal jaren erg succesvol en leverde nummers op die het in vele landen goed deden in de hitlijsten, zoals:
Mel and Kim - Respectable
Rick Astley - Never Gonna Give You Up
Kylie Minogue - I Should Be So Lucky
Dead Or Alive - You Spin Me Round (Like a Record)
Sonia - You'll Never Stop Me Loving You
Bananarama - Venus
Het is niet het soort muziek dat mij aanspreekt, ook al is het ontegenzeggelijk goed gedaan. Ook in de serieuze muziekpers was weinig waardering voor deze hitparademuziek en normaal gesproken zou er daar ook geen aandacht aan worden geschonken. Het werd echter op een gegeven moment mode om SAW af te kraken en zo gebeurde het dat dit soort bladen bijvoorbeeld het nieuwe Bananarama album gingen bespreken, alleen maar om het te kunnen afkraken.
Als reactie daarop maakten Stock, Aitken & Waterman het nummer Roadblock en brachten het in eerste instantie uit zonder een vermelding van een artiest. Het is een heerlijk nummer met een echt jaren 70 soul/funk gevoel en werd door diezelfde muziekpers enthousiast ontvangen. Eén blad noemde het zelfs "the best goddamn dance record of 1987". Wat zou hun reactie geweest zijn toen ze er achter kwamen dat het de zo door hen verfoeide SAW betrof?
Het nummer werd uiteindelijk als single uitgebracht onder de naam Stock Aitken Waterman en werd een grote hit (in Nederland haalde het net de top 10). Op diverse 12-inches stonden diverse mix-versies zoals de Rare Dub, de Rare Groove Mix en de Extended Version. In 1991 verscheen nog een nieuwe versie: Loopine Like Remix featuring Einstein).
Een jaar of twintig geleden kwam ik via de winkel van Staalplaat (die toen nog in Amsterdam bestond) in aanraking met Budha Building, een project van Tilburger Hans Timmermans.
Vanaf de eerste draaibeurt ben ik verliefd geweest op de CD Sounds Of The Abnormal Heart omdat het zo'n perfecte synthese is van ambient, ethnische muziekinvloeden, trip hop-achtige structuren en ritmes en nog veel meer.
Tien afwisselende instrumentale nummers worden nergens té zweverig, verworden niet tot muzak en hebben voldoende ritmische variatie en andere verrassingen om te blijven boeien.
Opener Majestic Wah begint met heel ijle klanken waarna al snel meer aardse klanken worden toegevoegd in combinatie met een niet opdringerig ritme. Aziatische sferen komen bovendrijven bij het beluisteren van tracks als Rain River Sea, Whirlpool en Inverted Acid.
Polar Pattern en 24 Frames / ¶ tappen uit een ander vaatje en doen veel meer westers aan en Resident Values, Specific Legal Rights en Optional Swamp (Plastic Rain Dub) hebben complexe ritmische structuren. In laatstgenoemde nummer zitten ook een soort intrigerende didgeridoo-achtige geluiden. Afsluiter Whales Scape is veruit het rustigste nummer met slechts minimale ritmiek en, gezien de titel geen verrassing, walvisgeluiden (gelukkig spaarzaam toegepast). Een mooie afsluiting van een heerlijk album.
Ik kwam er laatst achter dat Budha Building na Sounds Of The Abnormal Heart nog een flink aantal andere releases heeft uitgebracht. De digitale versies (in CD-kwaliteit) worden op het onvolprezen bandcamp.com alle negen samen verkocht voor het crimineel lage bedrag van € 9,75 terwijl alleen het hier besproken debuutalbum dat al ruimschoots waard is!