En opnieuw kwam de man met de zeis langs! Deze keer voor Scott Walker die afgelopen week op 76-jarige leeftijd overleed. De man met de mooie baritonstem werd halverwege de jaren zestig bekend als onderdeel van The Walker Brothers. De groep maakte onderdeel uit van de zogenaamde British Invasion, toen Britse groepen op grote schaal doorbraken in de Verenigde Staten (denk aan The Beatles, The Rolling Stones, The Who, The Kinks, The Dave Clark Five, Herman's Hermits, The Zombies, The Hollies en The Animals).
Alleen waren The Walker Brothers niet Brits, waren het geen broers en heetten ze geen van allen 'Walker'. Scott Engel, John Maus en Gary Leeds kwamen uit Californië en waren in 1965 naar Engeland vertrokken in een poging om het daar te gaan maken. Dat lukte wonderwel, want al in april 1986 hadden ze met hun tweede single Love Her een top 20 hit te pakken. Dit was ook het eerste nummer waarop Scott, en niet John, de lead vocals voor zijn rekening nam en dat zou voortaan zo blijven. Voor hun derde single coverden ze een nummer van het befaamde songschrijversduo Burt Bacharach en Hal David: Make It Easy On Yourself. Het werd een nummer 1 hit.
De stijl paste als gegoten en The Walker Brothers zouden bekend worden met orchestrale ballads, geïnspireerd door The Righteous Brothers, Tony Bennett en Frank Sinatra, maar ook Jacques Brel zoals Scott zou aantonen met zijn solo-versie van Jackie.
Van 1965 tot 1967 waren The Walker Brothers met name in Engeland ware pop-idolen. Ze scoorden hits met The Sun Ain't Gonna Shine Anymore, (Baby) You Don't Have To Tell Me, Another Tear Falls, Deadlier Than The Male, Stay With Me Baby en Walking In The Rain. De hectische ontwikkelingen in de popmuziek in 1967 betekenden het einde van de The Walker Brothers. Hun stijl was ineens passé.
Scott bouwde daarna met name in de UK succesvolle solo-carrière op en maakte een viertal zeer hoog gewaardeerde albums (Scott, Scott 2, Scott 3, Scott 4). Toen het ook solo minder ging kwam er een reünie van The Walker Brothers en werd in 1975 een nieuw album uitgebracht. Het titelnummer No Regrets werd een flinke hit, maar het bleek slechts een kleine opleving. Toch bleef The Walker Brothers een grote naam in de popmuziek.
Bovenstaande nummers en al hun andere werk werd verzameld op de 5CD-box Everything Under The Sun (The Complete Recordings) die zeer de moeite waard. Ook aanbevolen is het verzamelde vroege solowerk van Scott Walker, 5 Classic Albums.
Deze week overleed Dick Dale, "The King Of The Surf Guitar", op 81-jarige leeftijd. Zijn bijnaam verdiende hij als uitvinder van het karakteristieke geluid van de surfmuziek in 1961. De invloeden van muziek uit het Midden-Oosten zijn waarschijnlijk terug te voeren op de Libanese wortels van de familie aan zijn vaders kant.
Ook zijn manier van spelen is fameus, omdat hij zijn snaren andersom gespannen had: van hoog naar laag. Dit kwam doordat hij als linkshandige op een (omgedraaide) rechtshandige gitaar was begonnen te spelen. Toen hij later op een linkshandige gitaar ging spelen behield hij de volgorde van de snaren.
Dale organiseerde begin jaren zestig dansavonden voor surfers in een lokale ijssalon en trad daar ook op. Toen de aanloop teveel werd voor de ijssalon huurde hij de Rendezvous Ballroom in Balboa (Californië) af met een capaciteit van 3000 mensen. Die avonden werden een groot succes en tijdens zijn optredens ontstond ook zijn unieke geluid.
In 1961 bracht hij Let's Go Trippin' uit als Dick Dale & His Del-Tones en dat wordt beschouwd als het eerste echte surfnummer. Nummers als Jungle Fever en Surf Beat vestigden zijn reputatie, maar zijn echte 'signature tune' werd Miserlou.
Dick Dale werkte ook nauw samen met gitarenbouwer Leo Fender en testte regelmatig nieuwe apparatuur, zowel gitaren als versterkers en luidsprekers. Hij speelde veel luider dan gebruikelijk was in die tijd en dat leverde hem ook de bijnaam "Father of Heavy Metal" op.
De populariteit van de surfmuziek was maar tijdelijk. De invasie van Britse groepen midden jaren zestig maakte er een einde aan, hoewel Dick Dale bleef optreden. Gedwongen door ziekte trok hij zich voor lange tijd terug uit de muziek, maar in 1993 maakte hij een glorieuze comeback met het album Tribal Thunder.
Het album opent met Nitro en dat nummer geeft alles wat de titel belooft. Na The New Victor, Esperanza en Shredded Heat volgt een tweede hoogtepunt van het album: Trail Of Tears. Na een geweldig drumintro volgt een heerlijk rustpuntje op het album waarmee Dale laat horen dat hij ook geweldig kan spelen als het niet op topsnelheid gaat.
Na de Duke Ellington-klassieker Caravan volgen The Eliminator, het melancholieke Speardance en het tweeluik Hot Links: Caterpillar Crawl/Rumble. En echt, er zit geen zwak nummer tussen. Na het ritmisch gedreven The Long Ride volgt weer een hoogtepunt met het titelnummer Tribal Thunder. Het nummer is net zo'n herkenbaar nummer als Miserlou, dat in een akoestische versie op het album staat als verborgen bonustrack.
In 1994 gebruikte Quentin Tarantino het nummer Miserlou in zijn film Pulp Fiction en dat gaf Dick Dale een heel nieuw publiek en hernieuwde populariteit. Daardoor kon hij blijven optreden en de kosten voor zijn vele medische problemen blijven betalen. Uiteindelijk werden hart- en nierproblemen hem fataal.
Eind jaren zeventig begon ik als bijna-tiener met het kopen van plaatjes. Veel daarvan zijn singles die de Top 40 en TopPop haalden en daarbij zijn ook twee singles van BZN. Het gaat hier wel om de 'vroege BZN' uit de tijd dat ze leuke muziek maakten en niet erg succesvol waren. Later draaiden die twee dingen radicaal om.
BZN haalde wel de Top 40 in het begin van hun carrière, maar kwamen haalden nooit de top vijftien. Zo waren er eind jaren zestig Waiting For You en Everyday I Have To Cry. Twee nummers die nadrukkelijk leentjebuur spelen bij Britse voorbeelden.
Daarna ging de muzikale stijl in de vroege jaren zeventig meer richting rock in nummers als Bad Bad Woman, Rolling Around The Band en Sweet Silver Annie. Wederom hoor je de inspiratie van Britse en Amerikaanse bands duidelijk terug. Na een bewerking van een klassiek thema uit Gioachino Rossini's Il barbiere di Siviglia in Barber's Rock stort BZN zich op de midden jaren zeventig populaire glam rock.
Dit is het moment dat ik aanhaak als negenjarige. Love Me Like A Lion wordt slechts een kleine hit (nr. 23 in de Top 40 in 1974), maar het nummer spreekt me aan. Het heeft een pakkend gitaar-intro en de stem van Jan Keizer is gedrenkt in echo wat een leuk effect geeft. De outro is lang en goed gedaan en ook nu nog vind ik het een leuk nummer.
In 1975 volgt Goodbye Sue en dat begint met een heerlijke bas-riff die het hele nummer prominent aanwezig blijft. Een opvallende gitaarpartij, prima zang en lekkere breaks doen de rest. Gewoon een prima nummer dat ik nog graag mag draaien, maar ook dit kwam de top twintig niet binnen.
Na een geflopte single (Djadja) werd het roer omgegooid, kwam Anny Schilder erbij, werd de muzikale koers drastisch gewijzigd met als resultaat de nummer één hit Mon Amour waarna ik geen seconde meer vrijwillig naar BZN heb geluisterd. Gelukkig hebben we de pre-Mon Amour opnamen nog...
© 2019 TTZL
Wikipedia EN: BZN
Wikipedia NL: BZN
Synthesizermuziek heeft ook in Nederland een grote en trouwe schare fans. Artiesten als Kraftwerk, Tangerine Dream, Klaus Schulze en Jean Michel Jarre zijn ook in ons land populair. Desondanks zijn er weinig Nederlandse artiesten die bekend zijn geworden met dit genre.
Natuurlijk, we hebben Nova gehad met de nummer één hit Aurora en ook Peru (waar dezelfde mensen achter zitten) werd redelijk bekend. Ook Ad Visser, Future World Orchestra en recenter Ron Boots, Gert Emmens, Bas Broekhuis en Phrozenlight zijn Nederlandse artiesten die met hun muziek de liefhebbers hebben bereikt.
Toch is er één Nederlandse plaat die er wat mij betreft bovenuit steekt en dat is Trip Into The Body van Johan Timman uit 1981. Timman speelt in de jaren zestig en zeventig in bands als The John Breughel Four, Soft Pillow, Think Tank en Innerminit. Hij werkte ook als sessiemuzikant en werd in 1981 door Fleet Music in de gelegenheid gesteld om een solo-album op te nemen.
Vrij snel na het uitkomen van het album hoorde ik het bij een vriend van me en was er geen twijfel, dat album moest ik ook hebben! Ik heb de LP gekocht en grijs gedraaid. Ook na bijna veertig jaar klinken nummers als Trip Into The Body,
The Blood (The March Of The White And The Red Corpuscles),
The White Blood Cells And The AntiBodies (Look Out For The Killer), The Hemoglobine en Inside The Tympanic Cavity nog steeds geweldig. Het zijn rijk gearrangeerde nummers met een mooie opbouw en ze zijn voldoende avonturrlijk om het spannend te houden.
The Brain en The Heart zijn lichtvoetiger en hebben melodieën die meer richting pop gaan. Hetzelfde geldt voor The Lungs, dat vooraf gegaan wordt door het prachtige The Windpipe, en afsluiter Hearing (Ocean Of Sound).
Er is één element van het album dat wel wat gedateerd aandoet en dat is het veelvuldige gebruik van de vocoder. Op veel tracks wordt dit gelukkig spaarzaam ingezet, alleen in de afsluiter Hearing (Ocean Of Sound) is er iets te veel gebruik van gemaakt naar mijn smaak. Dat neemt echter niet weg dat ik het album nog steeds en regelmatig met veel plezier beluister. Gelukkig is het album nog steeds verkrijgbaar, sinds 2006 in een geremasterde versie met een bonustrack.
Er is al jaren sprake van een nieuw album van Johan Timman ('The Cerebral Symphony'). Hij schreef hier zelf over in een reactie op een blog in 2005 en en in 2009 en 2013 op Twitter. Hopelijk komt het er ooit nog van.
Na het nieuws van deze week dat Mark Hollis (zanger, gitarist, pianist en songschrijver van Talk Talk) op 64-jarige leeftijd is overleden, bleek weer eens hoe groot de invloed van hem is op de popmuziek na 1988. Vele collega-muzikanten spraken waardering uit, zoals in dit artikel in The Guardian.
Talk Talk maakte slechts vijf albums, maar de ontwikkeling die de groep doormaakte in die negen jaar is ongeëvenaard. Op het album The Party's Over uit 1982 is Talk Talk nog synth-pop bandje en maakt het nummers als Talk Talk. De doorbraak komt met It's My Life uit 1984 waarop hits staan als It's My Life, Such A Shame en Dum Dum Girl. Dit album is al een grote stap voorwaarts naar volwassener popmuziek, maar opvolger The Colour Of Spring (1986) laat horen dat het allemaal nog veel beter kan. Veel betere popmuziek dan Life's What You Make It en Living In Another World heeft er niet in de Top 40 gestaan.
Voor het eerst was Mark Hollis, samen met producer Tim Friese-Green, verantwoordelijk voor alle tracks op het album. Wat ook hielp was dat het succes van het tweede album het financieel mogelijk maakte om de synthesizers op The Colour Of Spring grotendeels te vervangen door echte instrumenten. Dit zorgde voor een geluid dat heel goed paste bij met name de ingetogener nummers. Door het succes van het derde album kregen Hollis en Friese-Green volledige artistieke en financiële vrijheid van platenmaatschappij EMI. En dat hebben ze geweten!
Toen EMI voor het eerst Spirit Of Eden te horen kreeg, was de schok groot. Men vond de muziek niet commercieel genoeg en de mensen van de marketing-afdeling kregen een rolberoerte. Dit was niet te verkopen! EMI eiste dan ook aanpassingen aan het materiaal, maar Talk Talk gaf niet toe en Spirit Of Eden werd uitgebracht zoals bedoeld door de groep. De kritieken was erg verschillend. Sommige recensenten vonden het album pretentieus en bewust obscuur en begrepen niet waarom de groep niet gewoon een album met mooie popmuziek had gemaakt.
Het oordeel van anderen was wel gelijk aan het oordeel dat in retrospect gemeen goed is geworden: een magistraal, pastoraal, episch meesterwerk dat de start is geweest van post-rock. De muziek van groepen Mogwai, Tortoise, Sigur Rós, Godspeed You! Black Emperor en Radiohead (hun latere periode) is rechtstreeks te herleiden naar Spirit Of Eden.
Kant A van het album is eigenlijk één lange suite: The Rainbow, Eden en Desire. Verstilde klanken en scherpe uithalen wisselen elkaar af in lange, dromige songs. Het is pure luistermuziek waarin structuur vervangen is door stemming en atmosfeer en de spirituele teksten van Hollis perfect passen. Ambient-, jazz- en (klassieke) avant garde invloeden gaan hier een huwelijk aan dat soms harmonieus is en soms (aangenaam) schuurt. Dit is ver verwijderd van popmuziek en het is niet voor te stellen dat dit dezelfde groep is als van de eerste drie albums.
Toch waren er op The Colour Of Spring al aanwijzingen voor de koerswijziging op Spirit Of Eden. Nummers als Chameleon Day en April 5th zijn een soort voorstudies van de nummers op kant B: Inheritance, I Believe In You en Wealth die de sfeer en grandeur van kant A overigens perfect vasthouden. Over dit album moet eigenlijk niet spreken of schrijven, dit album moet je ondergaan.
Door middel van een rechtszaak wist Talk Talk verlenging van hun contract bij EMI te voorkomen en bij een ander label brachten ze in 1991 nog één album uit: Laughing Stock. Het is een met Spirit Of Eden vergelijkbaar meesterwerk, net als het sublieme, enige en titelloze solo-album van Mark Hollis uit 1998. Hierna was Hollis nog slechts incidenteel te horen als pianist op albums van anderen. Soms onder een pseudoniem, soms bewust onvermeld.
In de zogenaamde 'Big Week' (officieel Operation Argument) werden op 20 en 21 februari 1944 een reeks geallieerde bombardementen op Duitse vliegtuigfabrieken uitgevoerd om de Luftwaffe aanzienlijk te verzwakken in de voorbereiding van
D-Day (juni 1944).
Op 22 februari 1944 konden de vliegtuigen hun eigenlijke doel niet bereiken en daarom werd op de terugweg een gelegenheidsdoel uitgekozen: het spoorweggebied van Nijmegen. Door een slechte uitvoering van het bombardement werd echter niet alleen het doel geraakt, maar ook een groot deel van de stad zelf. Honderden burgers kwamen hierdoor om het leven. Doordat bondgenoten verantwoordelijk waren voor deze catastrofe besloten nationale en lokale autoriteiten decennialang grotendeels te zwijgen over de rampzalige gebeurtenis.
Je vraagt je misschien af waar deze introductie in een muziekblog naar gaat leiden. Welnu, dit verhaal leidt naar de vandaag uitgebrachte track Dust van Modelbau. Achter die artiestennaam gaat Frans de Waard schuil, die experimentele muziek maakt onder zijn eigen naam en vele andere namen, waaronder Beequeen, Goem, Kapotte Muziek, Wander en Wieman.
En de connectie zit in de begeleidende tekst bij de prachtige ambient track Dust waarin Frans de Waard vertelt hij over zijn moeder, die op vijfjarige leeftijd van school naar huis ging voor de lunch op die bewuste 22e september 1944. Normaal bleef ze over, maar die dag van het bombardement niet en zo was ze niet op school toen deze getroffen werd.
In de instrumentale track hoor ik in de eerste vijf minuten een langzame opbouw van de spanning en je hoort als het ware de bommenwerpers naderen. In de volgende vier minuten stel ik me het bombardement voor en is de angst voelbaar. Vanaf minuut negen keert de rust weer en hoor ik als het ware de ontzetting, ontreddering en radeloosheid en in de laatste momenten van de track ontwaar ik flarden van machteloze woede.
Dit is natuurlijk mijn interpretatie en ik heb geen idee of Frans de Waard het ook zo bedoeld heeft. Maar dat is het mooie van instrumentale muziek. Iedereen kan er zijn eigen verhaal bij hebben (al wordt het hier natuurlijk wel ingekleurd door de begeleidende tekst).
Ik heb Dust vandaag al vijf keer geluisterd en iedere keer hoor ik er weer nieuwe dingen in. Ik vind het een onwaarschijnlijk mooi en krachtig werk.
Muzikant Haruomi Hosono is in het Westen vooral bekend als lid van één van mijn favoriete bands, de Japanse supergroep Yellow Magic Orchestra (zie de YMO-gerelateerde blogs #72, #79 en #270, maar ook #101 en #279).
Toch heeft hij ook voor en na YMO een rijke carrière en zelfs tijdens de YMO-periode waren er zogenaamde side projects. Eén daarvan was gerelateerd aan video game music.
De interesse voor game music was er al vroeg, want ook op het debuutalbum van YMO uit 1978 staan al twee bewerkingen van muziek van populaire games: Computer Game "Theme From The Circus" en Computer Game "Theme From The Invader". Buiten een enkele single of EP werd game music toen niet door platenmaatschappijen uitgebracht en daarom begonnen de mannen van YMO een eigen label, GMO (Game Music Orchestra), om die muziek op uit te brengen.
Vóór GMO maakte Haruomi Hosono echter al het 'solo-album' Video Game Music. Hierop heeft hij game-muziek en -geluiden van bekende games als Xevious, Pac-Man, Pole Position en Galaga bewerkt tot 'songs'. Soms heeft hij er echte eigen versies van gemaakt, zoals in het geval van Xevious en Galaga, soms is het meer het creatief ordenen van bestaande elementen zoals in Pac-Man en Pole Position. Luisterend naar het 35 jaar oude album Video Game Music vraag ik me ook nog steeds af of dit nou een muziekalbum is of een een verzameling klanklandschappen.
Het duurde zeker een draaibeurt of tien voordat ik er meer in ging horen dan een verzameling gamegeluiden en het zal ook zeker niet iedereen aanspreken. Het is geen album dat je opzet om lekker weg te luisteren, maar als experiment en vanuit een historisch perspectief blijft het een interessante exercitie.
De Amerikaanse jazz-gitarist Pat Metheny heeft vele tientallen albums op zijn naam staan, zowel solo als met de Pat Metheny Group en vele andere samenwerkingsverbanden. Het heeft hem tot nu toe drie gouden albums en twintig Grammy Awards opgeleverd in de VS.
In Nederland is zijn bekendheid minder groot dan in de VS, maar opvallend genoeg is er een single van Pat Metheny die alleen in Nederland is uitgebracht.
Dat heeft hij te danken aan Van Kooten en De Bie. In het TV-seizoen 1982/83 gebruikten zij namelijk de eerste twee minuten van zijn ruim twintig minuten durende track Two Folksongs als muziek voor de opening van het programma. Het nummer is afkomstig van het album 80/81 uit 1980 dat hij opnam met Charlie Haden, Jack DeJohnette, Dewey Redman en Mike Brecker.
In de openingtitels* van het programma zien we Van Kooten en De Bie door bos en stad rennen waarbij ze achterna gezeten lijken te worden. Al snel kwamen er vragen van kijkers wat de muziek was die gebruikt werd. De platenmaatschappij speelde hierop in door in 1983 een single uit te brengen met de korte versie, zoals te horen op TV, op de A-kant en een iets langere versie op de B-kant (de eerste vijf minuten van het nummer).
* De echte openingstitels staan niet op YouTube (waarschijnlijk een rechtenkwestie), maar deze clip bevat ook bijna de gehele scene.
Helaas bleef de single steken in de tipparade en bereikte nooit de Top 40. Twee jaar later bereikte de Pat Metheny Group toch de Top 40 en stond zelfs twee weken op de eerste plaats. Dat was met het nummer This Is Not America dat ze samen met David Bowie maakten voor de soundtrack van de film The Falcon And The Snowman.
Het is genieten de laatste tijd voor liefhebbers van Nederpop. Er kwamen onder andere mooie boxen uit die het werk verzamelden van The Motions, Sandy Coast, Supersister, Golden Earring, Shocking Blue en Earth & Fire. Gisteren kwam er een nieuwe box uit die het werk verzamelt van wat waarschijnlijk de beste bluesband van Nederland is: Barrelhouse.
De band wordt opgericht in 1974 en bestaat nu dus 45 jaar. Een mooie aanleiding om een box uit te brengen waarin twaalf albums worden verzameld. In die 45 jaar is de kern van de band nagenoeg onveranderd gebleven: Tineke Schoemaker (zang), Johnny LaPorte (gitaar), Guus LaPorte (gitaar), Han van Dam (piano), Bob Dros (drums) en Jan Willem Sligting (bas).
Op het eerste album uit 1975 staan nummers als I'm In The Mood en Dirty Dozen die al direct de kwaliteiten van de band laten horen. Het album wordt goed ontvangen en na een tweede studio-album en een live-album volgt er in 1979 een samenwerking met blueslegende Albert Collins welke resulteert in het live-album Albert Collins With The Barrelhouse Live. Het voor TV opgenomen Albert Collins with Barrelhouse geeft een aardige impressie.
In de jaren daarna werkt Barrelhouse gestaag door aan een mooi repertoire en een gedegen live reputatie. Hun bekendste nummer, Beware, komt van het gelijknamige album uit 1979 en ook de single It's Only A Fool uit 1981 is prima (al resulteert dat niet in Top 40 noteringen).
In de jaren tachtig komt Barrelhouse voor enkele jaren tot stilstand, maar in 1993 pakt men de draad weer op. Het album Time Frames uit 1998 kent twee opvallende nummers. Op The Fields Have Turned Brown werken ze samen met het fameuze gospelkwartet Five Blind Boys From Mississippi en op Hard Time Killing Floor met de Mongoolse groep Altai Hangai.
Barrelhouse blijft indruk maken zoals te horen is op de live-opname uit 2004 van I Feel Like Breaking Up Somebody's Home Tonight en het nummer Oh Death uit 2010. Het album Almost There uit 2016 krijgt zelfs de Edison Publieksprijs, maar als je luistert naar Almost There, Lonely Together of Don't Hold Your Breath kun je dat prima begrijpen. De live-opname van Omroep Friesland 'Barrelhouse yn Noardewyn Live' onderstreept dat alleen maar.
Voor nog geen 25 euro is de 12CD-box van Barrelhouse er eentje die je eigenlijk niet mag laten liggen.
In 2013 kwamen Morten J. Olsen (drummer, percussionist, DJ, producer en kunstenaar uit Noorwegen) en Rubén Patiño (musicus en kunstenaar uit Spanje) met een nieuw project: een muziekcassette (!) van ongeveer twintig minuten met intelligent techno getiteld Dominant Akkord en als uitvoerend artiest werd 'Navngitt Mønster Opptog' vermeld.
Nu is dat niet echt een makkelijk in het gehoor liggende groepsnaam, maar als snel werd duidelijk dat dit ook niet zo bedoeld was. Bij de volgende uitgaven werd er gespeeld met steeds een andere invulling van het N.M.O. acroniem als naam van de uitvoerende artiest:
Nederlandse Maatschappij Ontwikkeling (2014)
Naturkunde Museum Ostkreuz (2015)
Natalia Martínez Ordóñez (2015)
Nordic Mediterranean Organization/Numerous Miscommunications Occur (2016)
Nassau Molasses Office (2017)
Na die eerste cassette volgde dus de release van de Nederlandse Maatschappij Ontwikkeling 12" en downloads. Opener is Full Spectrum Intercourse waarop militair-achtige percussie de toon zet in combinatie met een breed spectrum van geluiden. Het is een fascinered begin.
Op het daarna volgende ParaSomething wordt die opzet grotendeels voortgezet, alleen is de percussie meer 'techno' daar op de eerdere track. Kant 2 start met de meest experimentele track: Dirty Huts. Het nummer is minder vloeiend dan de eerder genoemde nummers, maar trekt hortend en stotend langs en is zeer rijk aan accenten. Een interessante track die pas na een paar keer luisteren gaat beklijven. Met de afsluiter SpecialgesamtkunstwerKunst keren we weer terug naar het geluid van de eerste track en het is een sterk einde van het album.
N.M.O. is een interessant project van twee allround kunstenaars dat het waard is om te volgen. Ook op de uitgaven die hierna volgden blijven ze nieuwe invalshoeken vinden om ter verrassen.