Van 1968 tot 1972 vormde Vangelis met onder andere Demis Roussos de groep Aphrodite's Child, die vooral bekend is gebleven vanwege de hit Rain And Tears. In de vier jaar van het bestaan van de groep liepen de muzikale paden echter steeds verder uit elkaar. Roussos wilde de pop-kant op en Vangelis meer de experimentele kant.
Het derde en laatste album van de band, 666, laat horen dat Vangelis veel meer zijn zin kreeg en wordt alom als een mijlpaal gezien in de progressieve rock. Het album verslechterde de verhoudingen in de band nog verder en tegen de tijd dat het uitkwam bestond de band al niet meer.
Nog tijdens de opnamen van 666 was Vangelis al bezig met andere projecten. Zo werkte hij aan de soundtrack voor de TV documentaire L'Apocalypse Des Animaux en dook hij op uitnodiging van producer Giorgio Gomelsky en het Franse label BYG in Londen met een groep muzikanten (met veelal een jazz-achtergrond) een studio in. Er werd flink gejamd en geëxperimenteerd en uiteindelijk werd er flink wat materiaal opgenomen zonder de intentie om het uit te brengen.
De rechten van de BYG catalogus werden begin jaren zeventig gekocht door Charly Records en toen Vangelis succes begon te krijgen, vooral met Spiral uit 1977, bracht Charly in 1978 de opnamen alsnog (zonder toestemming) uit onder Vangelis' naam als The Dragon en Hypothesis.
Op The Dragon staat een soort experimentele prog-rock waarin elementen van de late Aphrodite's Child, de vroege Vangelis en jazz rock te herkennen zijn. The Dragon is een lange, experimentele jam met goede en minder goede stukken. Het langzame Stuffed Aubergine is toegankelijker, net als Stuffed Tomato waarin Oost-Europese en Midden-Oosterse invloeden zijn verwerkt.
Hypothesis is met een andere groep muzikanten gemaakt en dat hoor je duidelijk. Hypothesis Part 1 en Hypothesis Part 2 zijn experimentele jazz rock/fusion trips waarin de muzikanten vrijelijk improviseren en uitproberen. Ook hier zijn interessante momenten, maar soms is het ook even doorbijten.
Het was nooit de bedoeling om deze muziek uit te brengen en daarom heeft Vangelis er een paar jaar later via een rechtzaak voor gezorgd dat de albums van de markt gehaald moesten worden. Er zijn er echter zoveel van afgezet (en later onofficieel bijgeperst via allerlei schimmige labels) dat het ook nu nog niet moeilijk is om tweedehands aan de de LP's te komen.
Eendagsvliegen vind ik een interessant fenomeen in de popmuziek (zie blogs #122, #187 en #203), maar het is wel lastig om (betrouwbare) informatie over ze te vinden. Dat geldt ook voor de Nederlandse eendagsvlieg Joey Dyser. Op Wikipedia staat net niet helemaal hetzelfde als in de Beeld en Geluid Muziekencyclopedie, terwijl dit allebei weer niet geheel overeenkomt met een vraaggesprek uit 1998 in dagblad Trouw. Ik baseer mij maar op de laatste bron.
Josje van Stelten was midden jaren zeventig getrouwd met Frans Duister en verdeelde haar tijd over haar gezin, het schrijven van artikelen over opvoeding in dagblad De Tijd en zo af en toe eens optreden met met protestliedjes van zangeressen als Joan Baez en Franse chansons. Haar toenmalige buurvrouw raakte bevriend met Duco de Rijk (van de groep Zen en de hit Hair) en vroeg haar om Duco te helpen met zijn opname-apparatuur door een liedje in te zingen. Josje schreef die avond daarom nog even snel een liedje.
Die opname werd een jaar later nog eens op een verjaardag gedraaid en kwam zo via-via bij platenmaatschappij Delta terecht. Daar werd het nummer gearrangeerd door Dick Bakker en onder de artiestennaam Joey Dyser wordt het nummer een grote hit in Nederland en Vlaanderen. 100 Years stond dertien weken in de Top 40, waarvan drie weken op nummer 1.
100 Years is een droevig nummer over liefdesverdriet en boosheid, maar vooral muzikaal vind ik het interessant. Dat begint al bij het intro waar Joey alleen begeleid wordt door een drumritme. Daarna komt er een achtergrondkoortje bij en wordt het nummer langzaam opgebouwd. Na ongeveer een minuut komen ook de strijkers erbij en lijkt het instrumentarium compleet. Maar na weer een minuut komt er ineens een venijnige gitaar bij en wordt de gehele intensiteit opgevoerd, ook qua zang, om daarna weer rustig te eindigen. Het blijft een boeiend nummer. Op de b-kant staat My Love dat veel minder indruk maakt. Ook de Duitstalige versie, Was Ist Denn Bloss Gescheh'n, kan niet tippen aan het origineel.
Na dit nummer volgen nog twee singles, Let The Sun Shine In en I Am A Woman, maar die worden geen succes, net als het album Who's A Fulltime Saint?. Twee later volgt er nog een poging met de single Paul, maar ook dit wordt geen succes, mede omdat Josje eigenlijk helemaal geen muziekcarrière ambieert.
© 2019 TTZL
Wikipedia NL: Joey Dyser
Beeld en Geluid: Joey Dyser
YouTube: 100 Years
YouTube: My Love
YouTube: Was Ist Denn Bloss Gescheh'n
YouTube: Let The Sun Shine In
YouTube: I Am A Woman
YouTube: Paul
Na de succesvolle albums Riding With The King (2000, met B.B. King) en Reptile (2001) boekte Eric Clapton studiotijd voor de opnamen van een nieuw album. Er waren tijdens de eerste sessies echter nog niet voldoende nieuwe songs gereed en daarom werd de studiotijd benut door het opnemen van covers van nummers van Robert Johnson (een muzikale held van Clapton).
Deze Delta blues pionier leefde van 1911 tot 1938 en is legendarisch geworden vanwege zijn belang voor de muziek, maar ook doordat er zo weinig over hem bekend is. Zo zijn er slechts twee foto's waar hij op staat en is er zo mogelijk nog minder bekend over zijn leven. Hierdoor doen er vele verhalen over hem de ronde. De bekendste is wel dat hij zijn ziel aan de duivel verkocht in ruil voor zijn muzikale succes (zie blog #82).
De Johnson-covers werden uitgebracht voorafgaand aan een nieuw, regulier album. Het werd een groot succes, zowel artistiek als commercieel. Uptempo nummers als When You Got A Good Friend, Milkcow Calf's Blues en Stop Breakin' Down Blues worden op het album heerlijk afgewisseld met tragere nummers als Me And The Devil Blues, Little Queen of Spades en Come On In My Kitchen. Maar wat vooral knap is aan het album is dat Clapton de nummers in een moderne setting weet te plaatsen zonder iets af te doen aan de authenticiteit. Vergelijk bovenstaande nummers maar eens met de originelen van Robert Johnson (de links staan onderaan dit blog).
Slechts negen maanden na het album kwam Eric Clapton al met een vervolg, Sessions For Robert J. Het is een muziekdocumentaire waarin repetities voor de tournee en een opnamesessie zijn vastgelegd. Ook duidt Clapton in interviews het belang van Johnson's muziek voor hem. If I had Possesion Over Judgement Day, They're Red Hot, From Four Until Late en Love In Vain geven een aardig beeld. Elf van die tracks staan ook op een bijgevoegde CD.
De twee CD's en DVD zijn een prachtig eerbetoon aan Robert Johnson en tegelijk laten ze zien aan wat voor een gigant Eric Clapton zelf is.
Als programmamaker/kunstenaar Wim T. Schippers in 1972 de rol van Sjef van Oekel in De Fred Hachéshow aan Dolf Brouwers geeft, is deze al zestig jaar. Hij heeft dan al een hele carrière achter zich met vele baantjes, maar hij verdiende de kost vooral als kapper. Zijn grote ambitie was echter altijd om als zanger door te breken. Vanaf zijn zevende zingt hij in kinderoperettes en hij komt later ook in het operettekoor van theater Scala in Den Haag.
Na de Tweede Wereldoorlog pakt hij zijn beroep als kapper weer op, maar werkt hij ook als reisleider en schilder. En dan ineens is daar in 1972 alsnog zijn doorbraak als artiest. Harry Touw (die de rol van Fred Haché speelt) beveelt Brouwers bij Schippers aan en wat volgt is een succesvolle samenwerking tot aan 1989.
Brouwers presenteert, acteert en zingt in talloze producties van Schippers als De Fred Hachéshow, Van Oekel's Discohoek, Het Is Weer Zo Laat (Waldolala), De Lachende Scheerkwast en Op Zoek Naar Yolanda. Hij wordt een bekende TV-persoonlijkheid en krijgt de erkenning waar hij al zo lang naar op zoek was. Bekend worden zijn vertolkingen van nummers als Vette Jus, Gehaakte Beddensprei en Juliana, Onze Vorstin.
Met name voor zijn ambities als zanger krijgt hij nu de ruimte die er eerst nauwelijks was. Tot aan 1985 had hij slechts een handvol singles mogen maken, waaronder Moeder (1949), Als In Holland De Bollen Weer Bloeien (1959) en Ga Nooit Weg Zonder Te Groeten (1964). Door zijn populariteit als Sjef van Oekel kan hij in 1980 een LP maken en vanaf 1985 een hele reeks singles.
De eerste single, Oh Wat Is Het Toch Fijn Om Gelukkig Te Zijn, wordt geen hit, maar hij komt er wel mee in diverse TV-programma's en het nummer wordt behoorlijk bekend. Het is geschreven door de mensen die Catapult en Rubberen Robbie vormden en daarna veel schrijf- en productiewerk deden. Op de B-kant staat het eerder genoemde Ga Nooit Weg Zonder Te Groeten.
Normaal gesproken ben ik geen van Nederlandse 'volksmuziek', maar Oh Wat Is Het Toch Fijn Om Gelukkig Te Zijn is een uitzondering. Het zal hem vooral zitten in de combinatie van de licht absurde tekst en de karakteristieke zang van Brouwers, maar ik word oprecht blij als ik dit nummer hoor. Nog steeds, en hoe prachtig is dat?
© 2019 TTZL
Wikipedia NL: Dolf Brouwers
Wikipedia EN: Dolf Brouwers
Beeld en Geluid Wiki: Dolf Brouwers
IMDb: Dolf Brouwers
YouTube: Oh Wat Is Het Toch Fijn Om Gelukkig Te Zijn
YouTube: Ga Nooit Weg Zonder Te Groeten
YouTube: Oh Wat Is Het Toch Fijn Om Gelukkig Te Zijn [clip]
YouTube: Ga Nooit Weg Zonder Te Groeten [clip]
YouTube: Moeder
YouTube: Als In Holland De Bollen Weer Bloeien
YouTube: Vette Jus
YouTube: Gehaakte Beddensprei
YouTube: Juliana, Onze Vorstin
Eind jaren-80 kwamen er ineens albums uit waarop zwarte groepen buiten de gebaande paden traden. De gierende gitaren en andere, tot dan toe, typische witte (hard)rockelementen in een bed van funk leidde tot enthousiasme, maar ook tot gefronste wenkbrauwen van zowel zwarte als witte "puristen".
Living Colour is waarschijnlijk de belangrijkste exponent van deze stroming. Cult Of Personality van hun debuutalbum Vivid won de Grammy voor de beste hardrocksong van 1989 en Love Rears It's Ugly Head werd ook in Nederland een flinke hit. Maar ook groepen als 24-7 Spyz (Grandma Dynamite) en al een paar jaar eerder Bad Brains (I Against I) laten horen goed met rockelementen overweg te kunnen.
Bassist en producer Bill Laswell (zie blogs #54, #91 en #96) vond echter dat deze muziek schatplichtig was aan de pioniers van de funk en de psychedelic soul/R&B. Daarom zette hij begin jaren-90 met platenmaatschappij Rykodisc het sublabel Black Arc op om deze pioniers mee te laten profiteren van de hernieuwde aandacht voor deze muziek.
Van de dertien albums die tussen 1992 en 1995 op het Black Arc label verschenen was Laswell de producer en op een flink aantal was hij ook als bassist aanwezig (soms zelfs als bandlid van een gelegenheidsformatie). Om de albums te promoten verscheen in 1994 de promo-sampler Black Rock • Cyberfunk • Future Blues met een mooie dwarsdoorsnede.
O.G. Funk is de naam waaronder ex-Parliament/Funkadelic bassist Billy Bass Nelson een album voor Black Arc opnam. Yeah, Yeah, Yeah en I Wanna Know
laten horen dat hij dicht bij het geluid van zijn oude werkgever blijft. Dat is anders bij het Zillatron-project van een andere Parliament/Funkadelic alumnus, bassist Bootsy Collins. Overduidelijk met veel inbreng van Laswell gaat Collins hier behoorlijk de psychedelische klant op met Bugg Lite en vooral Count Zero.
Echt 'heavy' wordt het bij het Slave Master project met een aantal oudgedienden (waaronder Bad Brains drummer Mackie): Godless en Each One Teach One. Hetzelfde gevoel zit in de gelegenheidsformatie Hardware die bestaat uit nog bekendere namen: drummer Buddy Miles, gitarist Stevie Salas en de al eerder genoemde Bootsy Collins. Hun Got A Feeling en Hard Look doen verlangen naar het gehele album.
Buddy Miles staat ook op de CD met twee nummers van zijn Buddy Miles Express. Een groep die bestond tussen 1968 en 1973 en nu voor één album weer tot leven werd gewekt. Hier horen we meer traditionele blues met de covers Born Under A Bad Sign (dat eerlijk gezegd niet kan tippen aan het Albert King origineel) en Let It Be Me.
Deze verzamelaar is een heerlijke staalkaart van goede muziek en van sommige artiesten (Zillatron, Slave Master, Hardware) ga ik voor een paar euro via Discogs toch maar eens het hele album aanschaffen.
© 2019 TTZL
Geautoriseerde website: Bill Laswell/Black Arc
Wikipedia EN: Bill Laswell
Wikipedia NL: Bill Laswell
YouTube: O.G. Funk - Yeah, Yeah, Yeah
YouTube: O.G. Funk - I Wanna Know
YouTube: Zillatron - Bugg Lite
YouTube: Zillatron - Count Zero
YouTube: Slave Master - Godless
YouTube: Slave Master - Each One Teach One
YouTube: Hardware - Got A Feeling
YouTube: Hardware - Hard Look
YouTube: Buddy Miles Express - Born Under A Bad Sign
YouTube: Buddy Miles Express - Let It Be Me
YouTube: Cult Of Personality [Living Colour]
YouTube: Love Rears It's Ugly Head [Living Colour]
YouTube: Grandma Dynamite [24-7 Spyz]
YouTube: Born Under A Bad Sign [Albert King]
Niet Freddie Mercury of gitarist Brian May, maar drummer Roger Taylor was het eerste bandlid van Queen met een solo-album op zijn naam. In 1981 verscheen namelijk Fun In Space dat Taylor had opgenomen in de tussenpozen van de Queen-tours voor de The Game en Flash Gordon albums.
Roger Taylor speelde, arrangeerde, produceerde en zong alle nummers op het album. Dat hoeft geen verbazing te wekken, want ook in Queen is hij altijd meer geweest dan alleen maar de drummer.
Vanaf de start schreef hij nummers zoals Modern Times Rock 'N' Roll (1973), Tenement Funster (1974), I'm In Love With My Car (1975),
Sheer Heart Attack (1977) en More Of That Jazz (1978).

Ook later bleef hij nummers voor Queen schrijven die ook grote hits opleverden zoals Radio Gaga (1984), A Kind Of Magic (1986), The Invisible Man (1989) en These Are The Days Of Our Lives (1991).
Wat opvalt bij bovenstaande tracks is de verscheidenheid in stijlen. Dat hoor je ook terug op Fun In Space. Zo zijn er lekkere uptempo rockers als No Violins, Good Times Are Now en Airheads, maar er staan ook ballads op het album. Een stijlvorm die hij bij Queen nog niet had getoond, maar blijkbaar ook beheerst. Luister maar naar Laugh Or Cry en Magic Is Loose.
Andere nummers als Future Management en Interlude In Constantinople zijn een vorm van synthesizerpop en er staat ook een jaren vijftig pastiche op (Let's Get Crazy). De hoogtepunten zijn wat mij betreft de twee wat langere nummers. Het maatschappijkritische My Country 1 & 2 handelt over politiek en oorlog en in het trage, atmosfersiche titelnummer Fun In Space trekt hij nog een keer alle registers open. Een mooie afsluiter.
Het album was in 1981 geen groot succes, ook al doordat de promotie voor het album door de platenmaatschappij minimaal was. Alleen in de UK kwam het in de album top 20, in andere landen verbleef het album hoogstens één of enkele weken in de onderste regionen. De waardering is later wel gekomen en na een geremasterde versie in 1996 verscheen er in 2015 een mooie nieuwe remaster met drie bonustracks op het gespecialiseerde Omnivore Recordings label (die ook zijn tweede album Strange Frontier dezelfde behandeling gaven).
Speciale vermelding verdient tenslotte de hoes. Hier is op de voorkant een omgekeerde situatie gecreëerd van de achterzijde waarop Roger Taylor editie 119 (juli 1980) van het magazine Creepy leest.
Af en toe verdwaald er een nummer en komt het pardoes in de Nederlandse Top 40 terecht. Daarvoor en ook daarna wordt er dan van de betreffende artiest weinig meer vernomen, althans in Nederland.
De Amerikaanse band Sugarloaf in 1974 is daarvan een mooi voorbeeld. Zanger/toetsenist Jerry Corbetta en gitarist Bob Webber speelden al samen in diverse bands voor ze in 1970 samen Sugarloaf begonnen. De band zou met tussenpozen bestaan tot en met 2012, maar had in die tijd slechts twaalf actieve jaren.
Hun titelloze debuutalbum leverde direct een top 10 op in de VS: Green-Eyed Lady. De singles Tongue In Cheek en Mother's Nature Wine van hun tweede album Spaceship Earth konden dit succes niet herhalen en bleven halverwege of lager in de Billboard Hot 100 steken. Na dit album werd hun platenmaatschappij overgenomen en werden bijna alle artiesten ontslagen en de groep viel uit elkaar.
Corbetta begon aan een solo-album te werken voor een kleine maatschappij, maar toen de groep werd heropgericht transformeerde het tot het derde groepsalbum I Got A Song onder de naam Sugarloaf/Jerry Corbetta. Vlak daarna ging deze maatschappij echter failliet en zat de band weer zonder contract.
De band kocht de rechten van het derde album uit de boedel en nam een nieuw nummer op: Don't Call Us, We'll Call You. Vlak hiervoor was de band door CBS Records afgewezen voor een nieuw contract en het nummer is tekstueel een reactie daarop. Er zitten ook practical jokes in het nummer. Zo vormen de geluiden van de toetsen van de telefoon in het nummer een echt (en ongeregistreerd) telefoonnummer van CBS Records in New York (daarom zingen ze ook 'area code 212'). Ook er is de imitatie van het kenmerkende stemgeluid van diskjockey Wolfman Jack (die later nog met ze zou optreden).
Het nummer wordt een top 10 hit in de VS en slaat ook overzees aan. In Nederland komt het tot nummer 11. Het aanstekelijke nummer profiteert in hoge mate van de melodie uit I Feel Fine van The Beatles en daar verwijzen ze ook naar in de tekst ('sounds like John, Paul, and George'). Ook de geleende riff uit Superstition van Stevie Wonder draagt bij aan de herkenbaarheid. Texas Two-Lane (de b-kant van de single) is een leuke track, maar lang niet zo sterk als de a-kant.
Op basis van het succes brengt de band het derde album opnieuw uit waarbij een nummer wordt vervangen door de nieuwe hitsingle. Het succes kon echter opnieuw niet gecontinueerd worden en de band viel weer uit elkaar. Incidenteel kwam tot 2012 nog bij elkaar om op te treden, maar Sugarloaf zal toch vooral herinnerd worden als de band van twee hits (in de VS) of dat ene verdwaalde nummer in de Top 40 (in Nederland).
© 2019 TTZL
Na het succes van het debuutalbum van de Nina Hagen Band (zie blog #105) zou je verwachten dat de band enthousiast aan een opvolger zou gaan werken. Problemen tussen Nina en de bandleden zorgden er echter voor dat het contractueel verplichte album er wel kwam, maar de samenwerking verliep nogal stroef. De bandleden schreven en speelden de muziek in, gescheiden van Nina, die alle teksten en vocalen voor haar rekening nam. De titel van het album, Unbehagen, doet ook geen moeite om de situatie te verbloemen.
Gezien deze ontstaansgeschiedenis is het niet vreemd dat het album minder goed is dan het debuut. Ook staan er een aantal nummers op die in een normale situatie het waarschijnlijk niet verder gebracht zouden hebben dan als b-kantje van een single. Ik denk hierbij aan de live-opname Wenn Ich Ein Junge Wär (een cover van een nummer uit 1963 van Rita Pavone), het 'campy' nummer Wau Wau en de instrumentale, korte afsluiter No Way.
Daartegenover staan gelukkig ook een heel aantal sterke nummers. Nummers die overigens al waren geschreven tijdens de tour voor het eerste album.
Opener African Reggae is een nummer met een lekker loom ritme, mooie instrumentele passages en een vocaal excellerende, alle kanten op schietende Nina Hagen. Voor de kortere singleversie is een clip gemaakt waarin het uiteenvallen van de band duidelijk is, want de bandleden komen er niet in voor.
Direct daarop volgt Alptraum (Duits voor nachtmerrie) waarin Nina als personificatie van de nachtmerrie de persoon toespreekt die de nachtmerries ondergaat. Bas en drums spelen een prachtig pulserende beat en samen met de metalig klinkende gitaren en Nina's apocalyptische vocalen maakt dit een topnummer.
Na Wir Leben Immer... Noch, een geinige Duitstalige cover van Lene Lovich's Lucky Number, volgen nog twee goede nummers. Herrmann Hieß Er gaat natuurlijk over Herman Brood en wordt gekenmerkt door sterk gitaarwerk en een opmerkelijke passage waarin een (niet zo goed gaande) LSD-trip lijkt te worden beschreven. Het volgende nummer Auf'm Rummel begint met heel toepasselijk met kermisgeluiden waarin we op de achtergrond het nummer Rangehn van het debuutalbum herkennen. Tekstueel beschrijft het kermisbezoek in haar jeugd in Oost-Duitsland waar de zin "hier is absolut nix los" de situatie aardig weer lijkt te geven.
Fall In Love Mit Mir tenslotte, is een anomalie in het oeuvre van La Hagen. Het is namelijk een nogal rechttoe-rechtaan liefdesliedje. Een leuk nummer, maar de niet zo sterk als de hiervoor beschreven tracks. Het doet echter niets af aan het feit dat Unbehagen genoeg sterke momenten kent om het album zo nu en dan weer eens te beluisteren.
In 1930 zingt Marlene Dietrich in de film Der blaue Engel het lied Ich bin von Kopf bis Fuß auf Liebe eingestellt (van Friedrich Hollaender) en zij wordt er op slag wereldberoemd mee.
Meer dan zestig jaar later pikken vier Nederlandse producers (Eric van Tijn, Jochem Fluitsma, Ed Smidt en Ad de Feijter) het nummer op en onder de éénmalig gebruikte projectnaam MCMXCII maken ze in 1992 het nummer Ich Bin Von Kopf Bis Fuss Auf Liebe Eingestellt, Ich Bin So Schön.
Het nummer is voor mij een heerlijke guilty pleasure. Natuurlijk, het is zo fout als wat, maar het klinkt tegelijk ook onweerstaanbaar lekker. Mijn favoriete versie is toch wel de Radio Edit met het stuwende ritme en de heerlijk overdreven gezongen tekst. Muzikaal gezien komen alle dance-clichés voorbij, maar doordat het bewust gebeurt wordt het juist leuk.
In de Club Mix ligt het tempo aan het begin veel lager en ook later houdt het een relaxte sfeer. De EQ-Lazer Mix en de Dee-Organ-Lite Mix zijn dan weer veel energieker en geven weer een andere blik op dezelfde track. Meestal houd ik niet zo van al die verschillende mixen, maar deze verschillen genoeg van elkaar om het interessant te houden.
Op internet is verbazingwekkend weinig te vinden over dit project/nummer (op de website van de Top 40 is er bijvoorbeeld niets over te vinden, dus ik denk dat het geen hit geworden is). Over de aanleiding of achtergrond van dit nummer weet ik ook nu nog niets, maar misschien hoort dat ook wel bij zo'n curiosum.